Waarom een neuropsychologisch onderzoek meer is dan een testonderzoek
Mevrouw Janssen (68 jaar) kreeg plotseling geheugenklachten, waarvoor ze de neuroloog bezocht. De neuroloog stelde voor om een neuropsychologisch onderzoek uit te voeren om haar klachten verder te onderzoeken. Mevrouw Janssen, haar dochter en ik begonnen dat onderzoek met een gesprek over veranderingen op het gebied van het geheugen en van andere denkfuncties, ook wel cognitieve functies genoemd, zoals concentratie en probleemoplossende vaardigheden. Wanneer ik informeer naar de stemming van mevrouw reageert zij verbaasd: “wat heeft dat er nou mee te maken? Ik kom hier toch voor een geheugentest?”.
Het gebeurt vaker dat patiënten verrast zijn wanneer de neuropsycholoog tijdens een neuropsychologisch onderzoek vraagt naar stemming, vermoeidheid, stress of recente life events; grote gebeurtenissen in iemands leven die gepaard gaan met emoties die zowel positief als negatief kunnen zijn. Vaak bezoeken mensen het ziekenhuis in de veronderstelling dat de neuropsychologische tests zullen vaststellen hoe goed hun geheugen werkt, of het geheugen achteruit is gegaan en of er iets mis met hun hersenen dat de klachten verklaart. Heb je de testscores - de cijfers - dan heb je de antwoorden. Want meten is weten, toch?
Cijfers interpreteren is in de praktijk niet zo zwart-wit. Onderzoekers weten al lang dat stemming, vermoeidheid en stress ons cognitief functioneren kunnen beïnvloeden, en dus ook de scores op neuropsychologische tests. Een ‘verminderd vermogen tot nadenken of concentreren’ is niet voor niets een van de kenmerken van een depressie. Zelf merken we dat in ons dagelijks leven ook zonder dat er sprake is van een depressie; denk maar eens aan hoe mistig je hoofd is na een aantal gebroken nachten. Of aan die keer dat je zoveel zorgen aan je hoofd had, dat je de verjaardag van een goede kennis vergat.
Als er sprake is van hersenletsel wordt de situatie nog wat ingewikkelder. Vermoeidheid en somberheid kunnen op verschillende manieren in verband staan met hersenletsel. Zo kan het hersenletsel de klachten direct veroorzaken, maar ze kunnen er ook volledig los van staan, of een indirect gevolg zijn van hersenletsel. Een voorbeeld van zo’n indirect gevolg is iemand die somber raakt doordat die als gevolg van hersenletsel niet meer kan werken. Om te kunnen bepalen hoe we iemand zo goed mogelijk kunnen helpen is het belangrijk om de oorzaak van de cognitieve veranderingen te achterhalen. Iemand met cognitieve klachten door hersenletsel heeft immers een andere behandeling nodig, dan iemand die dezelfde soort klachten heeft als gevolg van een depressie.
Er valt dus een flinke puzzel te leggen. Ja, meten is weten en aan de hand van de testscores kan ik vaststellen dat het geheugen van mevrouw Janssen minder goed is dan past bij haar leeftijd. Maar om te begrijpen waar die geheugenproblemen vandaan komen, vraag ik ook naar stemming, vermoeidheid, stress en life events. Zo kom ik erachter hoe ik haar het beste kan helpen om van de klachten af te komen of om daarmee te leren omgaan. Een neuropsychologisch onderzoek bestaat daarom uit meer dan het afnemen van neuropsychologische tests.
Dr. Chantal Geusgens is klinisch neuropsycholoog bij Zuyderland Medisch Centrum. Naast haar klinische werkzaamheden houdt zij zich bezig met het opleiden van collega’s in de klinische praktijk en begeleidt zij in samenwerking met het EHL collega’s in opleiding tot klinisch (neuro)psycholoog bij het doen van wetenschappelijk onderzoek.